FRANKENSTEIN is een droomproject voor Guillermo del Toro, en zoals veel droomprojecten bezwijkt de film onder het gewicht van die droom.
Het DNA van Mary Shelleys klassieke roman uit 1818 is aanwezig in al Del Toro’s eerdere films. De regisseur vertelde eens dat hij als kind geen vat kreeg op het begrip ‘heilige’, waar hij elke zondag in de kerk over hoorde, totdat hij Boris Karloff zag in James Whale’s versie uit 1931. FRANKENSTEIN is de film die Del Toro al sinds zijn prille jeugd aan het maken is.
Zijn versie is een persoonlijke. Op sommige vlakken blijft hij zeer trouw aan het boek, elders helemaal niet. Er zijn natuurlijk visuele referenties naar Whale’s film en naar Terence Fishers THE CURSE OF FRANKENSTEIN (1957), maar de meest voor de hand liggende vergelijking is misschien Kenneth Branaghs MARY SHELLEY’S FRANKENSTEIN: Del Toro maakt ook een episch kostuumdrama dat de literaire bron bloedserieus neemt.
Het grootste probleem van Branaghs versie is dat het monster daarin niet echt een monster is; Robert de Niro speelt gewoon een man met littekens in zijn gezicht. Del Toro begrijpt beter dat het schepsel weliswaar sympathiek en menselijk is, maar ook monsterlijk; obscenely alive, zoals Del Toro zelf Christopher Lee’s versie in THE CURSE beschreef.
We krijgen het wezen al even te zien aan het begin, want net als het boek is de film een raamvertelling. Dat is maar goed ook, want hierna stelt Del Toro ons geduld flink op de proef; eerst zien we de jonge Victor Frankenstein (Christian Convery), die door zijn hardvochtige vader (Charles Dance) tot grenzeloze ambitie gedreven wordt. Het overlijden van zijn moeder (Mia Goth) is voor Victor de eerste aanleiding de dood te willen overwinnen. De volwassen Victor (Oscar Isaac), een controversiële wetenschapper, speelt zich in de kijker bij Henrich Harlander (Christoph Waltz), een steenrijke wapenhandelaar die zijn experimenten wil financieren. Toevallig is Harlanders nichtje Elizabeth (ook Mia Goth!) verloofd met Victors jongere broer William (Felix Kammerer).
Er gaan dus heel wat sappige romantische perikelen en afgezaagde filosofische gesprekken vooraf aan de creatie van het wezen. Als het dan eindelijk tot leven gewekt wordt, is het een soort kruising tussen de versies van Lee en De Niro, maar dan met meer sex appeal. Het lijkbleke monster lijkt van marmer, maar Jacob Elordi speelt aanvankelijk heel kwetsbaar, een groot kind dat zich niet thuis lijkt te voelen in zijn onhandige lichaam.
Een van Del Toro’s aardigste vondsten is dat Victor de fouten van zijn eigen vader herhaalt: aanvankelijk behandelt hij het schepsel liefdevol, maar als het wezen niet snel genoeg leert wordt het geslagen. Victor sluit zijn creatie geketend op in de kelder. Hij is er niet bang voor, zoals bij Shelley, hij schaamt zich ervoor; is dat voor een ouder niet een nog grotere angst?
De volledige titel van Shelleys boek is Frankenstein; or, the modern Prometheus. Del Toro laat personages expliciet verwijzen naar de mythe over de titaan die de eerste mensen maakte uit klei. Natuurlijk wordt Victor vergeleken met Prometheus, maar ook Del Toro’s versie van het monster lijkt soms op de titaan, die werd gestraft toen hij de mensen het vuur gaf. Hij werd vastgeketend en een adelaar bleef vreten van zijn lever, die telkens teruggroeide. Ook Frankensteins wezen wordt geketend, en al zijn wonden genezen vrijwel meteen. En net als bij Prometheus is zijn lijden het gevolg van de menselijke aard; van het feit dat wij het vuur hebben, de passie, de inspiratie om te creëren.
Datzelfde geldt voor Jezus, en uiteraard vergelijkt Del Toro het monster ook met hem; nog voordat hij tot leven gewekt is, heeft Frankenstein hem in een crucifixpositie opgesteld. Toen Whale het monster liet kruisigen in BRIDE OF FRANKENSTEIN (1935) was dat nog gedurfd, nu voelt het achterhaald. Interessanter is Elizabeth’ opmerking dat het wezen door zijn totstandkoming de erfzonde niet met zich meedraagt. Dat doet hopen op een katholieke verkenning van de Frankensteinmythe. Helaas komt die niet echt uit de verf.
Want het meeste wat Del Toro te zeggen heeft, is al eerder gezegd. De discussies over god spelen, over het al dan niet accepteren van de dood, over wie nu het werkelijke monster is; het is allemaal niets nieuws voor wie bekend is met het verhaal en de vele afgeleiden ervan. Dat maakt het des te frustrerender dat Del Toro tweeënhalfuur lang een behoorlijk laag tempo aanhoudt. Je krijgt de indruk dat de regisseur zo gefocust is op het idee dat dit zijn magnum opus wordt, dat hij niet in staat is overtollig vet weg te snijden.
Gelukkig levert Del Toro wel, zoals verwacht, een gelikte uitvoering; ja, dit verhaal werd grotendeels eerder verteld, maar zelden zo compleet en zo keurig. Del Toro’s flamboyante gothic-esthetiek voelt vertrouwd, wanneer de steadicam in virtuoze long-takes door schitterende decors glijdt en warm kaarslicht brandt in donkere krochten. De kleurrijke kostuums van Kate Hawley zijn alvast kanshebbers voor een Oscar.
Er valt dus zeker veel te genieten aan deze FRANKENSTEIN, maar uiteindelijk komt Del Toro op weinig plekken waar James Whale niet geweest is. Hij doet er alleen veel langer over.