Een opvallende keuze van DC Studios om grote blikvangers SUPERMAN en SUPERGIRL op te volgen met een relatief kleine film over Clayface, een klassieke schurk uit de vroege jaren van Detective Comics. Is James Watkins’ CLAYFACE een welkom stapje terug in deze tijd van topzware superheldenfilms, of gewoon weer aflevering nummer zoveel in DC’s immer zwalkende pogingen om een gedegen eigen cinematic universe op te bouwen?
De film lijkt op het eerste gezicht in lijn te liggen met The Penguin, de uitstekende HBO-serie waarin een andere vergezochte Batmanschurk een menselijker gezicht kreeg. Ware het niet dat CLAYFACE zich niet afspeelt in de opzichzelfstaande wereld van THE BATMAN, maar juist onderdeel is van DC’s nieuwe cinematic universe onder leiding van James Gunn. Welke rol het aardse, getormenteerde personage precies gaat spelen in de kleurrijke en lichtvoetige space opera van Kal en Kara Zor-El blijft onduidelijk, maar als losstaand tussendoortje scoort de film zelf helaas net een voldoende.
Het project begon enkele jaren geleden toen schrijver-regisseur Mike Flanagan (o.a. MIDNIGHT MASS) bij DC het idee poneerde voor een volbloed horrorfilm over Clayface. De origine en eigenschappen van het personage (o.a. metamorfose, celdeling) lenen zich natuurlijk uitstekend voor het soort tragische bodyhorror waar we hier op de burelen van smullen. Het verhaal van Flanagan paste echter niet in de toenmalige DCEU, welke toendertijd nog bezig was met het uitmelken van franchisepijlers Aquaman, Wonder Woman en Shazam. Nadat James Gunn het roer bij DC Studios overnam, en Clayface opdook in de fijne spin-off cartoon Creature Commandos op HBO, kreeg Flanagan het groene licht. Hij had het ondertussen veel te druk met nieuwe dingen, en de regie ging naar James Watkins (THE WOMAN IN BLACK, SPEAK NO EVIL).
Zoals zo vaak het geval is met stripfiguren, maar hier des te toepasselijker, heeft ook Clayface sinds zijn eerste verschijning in 1940 meerdere gedaantewisselingen ondergaan. De versie die wij hier voorgeschoteld krijgen is min of meer een amalgaam van twee clayfaces: latere incarnatie Matt Hagen, met de backstory van de originele kleiman, Basil Karlo.
Hagen (Tom Rhyss Harries) is hier een veelbelovende jonge acteur die zichzelf eigenhandig uit de Gotham ghetto The Heights een weg naar DC’s equivalent van Hollywood heeft geklauwd. Op de vooravond van zijn grote doorbraak wordt hij versierd door een lokaal gangsterliefje, en de volgende dag wordt hij wakker met wat ongure figuren aan zijn voeteneind. Bendeleider Szabo (David Dencik) is niet het vergevende tiepje en snijdt mooiboy Hagens gezicht aan stukken. Door Szabo’s invloed in het corrupte Gotham heeft Hagen al snel geen poot meer om op te staan, en mismaakt en geroyeerd glipt hij terug naar The Heights.
Teneinde raad biedt hij zich als testsubject aan bij Caitlyn Corr (Naomi Ackie), een wetenschapper die probeert door middel van nanotechnologie levensreddende regeneratie te ontwikkelen. Zij besluit hem te helpen. In eerste instantie gaat zijn herstel voorspoedig, en een comeback naar de rode loper lijkt nabij. De geïnjecteerde nanites reageren echter ook op zijn mentale toestand, waardoor hij met emoties zijn fysieke verschijning kan veranderen. Maar zoals dat gaat met dit soort oplossingen, blijkt dit al snel meer meer vloek dan zegen. Hagan heeft namelijk nogal wat frustratie, onzekerheid en woede in zich door wat hem aangedaan is, en al snel wordt hij geconsumeerd door haat en de zucht naar wraak.
Watkins heeft in zijn eerdere werk al aangetoond goed overweg te kunnen met sfeer en spanningsopbouw. Daar is ook in CLAYFACE niks op aan te merken. Harries’ versie van het personage is een vriendelijke maar schuchtere ster-in-wording, iemand die je diens tragische teloorgang eigenlijk niet gunt, ook al wil je zien waar het heen gaat. De regisseur schroomt ook niet om lekker visceraal te gaan tijdens Clayface’s wordingsproces. Naalden nabij oogbollen, druipende huidplooien, wat kaasschaafactie, allemaal precies waar je op hoopt bij een film als dit. Het is dan ook in de derde akte, als Watkins opeens lijkt te beseffen dat er ook nog iets van een wraakplot afgerond moet worden, waar de film jammergenoeg zijn beklemmende sfeer kwijtraakt.
Waar hij eerst nog worstelde om zijn eigen fysieke vorm in stand te houden, kan Clayface opeens in een oogwenk compleet andere gedaantes aannnemen. Zijn lichaamstrauma verwordt tot een maniertje, een parlour trick met nul gevolgen of kosten. Perfect om een criminele organisatie van binnenuit te ontmantelen natuurlijk, maar het voelt allemaal in ene wat geconstrueerd. Waar CLAYFACE’s spirituele voorloper DARKMAN (Sam Raimi, 1990) de kijker continu een zandloper voorhield wat betreft het gebruik van Darkmans “superkrachten”, biedt Watkins hier weinig meer dan wat moneyshots tijdens het plichtmatig afwerken van Hagens bad guy-bingokaart.
Het siert DC dat ze naast hun grootbudget superheldenvehikels ook kleinere, meer niche stripboekfilms nastreven, maar mogelijk had CLAYFACE juist beter gewerkt op het kleine scherm. In bijvoorbeeld een Entourage-achtige serie, waarin we acteur Hagen als opkomende superster volgen, en hij vervolgens meerdere afleveringen de ruimte krijgt om de kijker mee te trekken in zijn Faustiaanse verval tot Clayface de schurk. Wat THE SUBSTANCE van dit jaar had kunnen zijn, blijft jammer genoeg veel teveel binnen de lijntjes kleien.