Vier jaar nadat ze in 2021 geschiedenis schreef met TITANE (de eerste horrorfilm die een Gouden Palm binnenhaalde) is de Franse virtuoos Julia Ducournau eindelijk terug met ALPHA. Ditmaal waren de reacties aanzienlijk minder enthousiast, en ook de prijzen bleven uit. Is dit een keerpunt in haar carrière, en waarom volgen de critici haar niet?
De dertienjarige Alpha (nieuwkomer Mélissa Boros) komt na een huisfeest thuis met een behoorlijke kater en een slordige tatoeage. Een grote A prijkt op haar bovenarm. Het maakt niet echt uit dat ze zich niet meer kan herinneren of die gezet is met of zonder haar toestemming, haar alleenstaande moeder (Golshifteh Farahani) is laaiend. Niet zozeer vanwege het halfslachtige kunstwerk zelf, maar omdat Frankrijk wordt geteisterd door een mysterieuze, door bloed overdraagbaar virus. Het lichaam van de geïnfecteerden verandert langzaam in marmer en het bloed in rood zand. Als arts heeft haar moeder met eigen ogen het effect van de ongeneeslijke, terminale ziekte gezien, en ze is doodsbang dat haar dochter mogelijk besmet is door de tatoeëernaald.
Terwijl Alpha wacht op de uitslag van de bloedtest, gaat het gerucht dat ze het marmervirus te pakken heeft als een lopend vuurtje door haar school, en beginnen zowel leerlingen als docenten met een boog om haar heen te lopen. Alsof de sociale isolatie nog niet erg genoeg is, neemt haar moeder ook nog eens onaangekondigd haar broer Amin (Tahar Rahim) in huis. Amin is voor de zoveelste keer aan het afkicken van heroïne en heeft een betrouwbare omgeving nodig. Dus moet Alpha opeens haar kamer delen met een broodmagere en lekker sardonische oom, die niet bepaald doekjes windt om zijn situatie.
Afgelopen mei ging ALPHA in première tijdens het Cannes Film Festival, waar Ducournau het in voorgaande jaren heel goed had gedaan met RAW / GRAVE en TITANE. Net als bij haar vorige twee premières was het publiek verdeeld, maar deze keer waren ook de meeste critici niet echt te spreken over de onconventionele combinatie tussen bodyhorror en familietragedie. Wel was iedereen het eens over de optredens. De negentienjarige Boros is heel overtuigend als een jonge tiener die zich sterk houdt maar overduidelijk aan het verzuipen is in familietrauma’s. Farahani zet als haar moeder een sterke vrouw neer die constant aan de afgrond staat en Rahim is fenomenaal als de charismatische junkie.
Ducournau wordt vaak in één adem genoemd met David Cronenberg, die dan ook een grote inspiratie voor haar is. Met ALPHA voelt deze ode aan de Canadese grootmeester nog explicieter: het lijkt nu alsof ze een speedrun heeft gedaan door Cronenbergs oeuvre. RAW staat dan voor zijn veelbelovende vroege periode (SHIVERS, RABID), TITANE voor zijn horrormeesterwerken (VIDEODROME, THE FLY, CRASH), en ALPHA voor zijn recente, meer etherische (en onder liefhebbers polariserende) werk (CRIMES OF THE FUTURE, THE SHROUDS). Net als Cronenbergs laatste twee films is ALPHA meer ingetogen, somber en erg ambitieus in de hoeveelheid ideeën die in twee uur kunnen worden verkend.
Haar aanpak van bodyhorror blijft wel consistent, en dit is meteen een van de verschillen tussen Ducournau en Cronenberg. In Cronenbergs films is het brein net zo belangrijk als het lichaam, en resulteren metamorfoses van het vlees in een dramatische verandering van de geest, of andersom. Ducournau is meer geïnteresseerd in de connectie tussen het lichaam en het hart, oftewel dat wat wij liefhebben. Tot dusver komt ze iedere keer terug bij familie. In RAW ging het om de haat-liefdeverhouding tussen twee zussen, in TITANE over de connectie tussen ouder en kind, en in ALPHA onderzoekt ze een dochter, moeder en broer/oom. Hoe deze drie mensen elkaar pijn doen, van elkaar houden en uiteindelijk moeten kiezen tussen zichzelf en elkaar is de crux van de film, die (zoals ook haar eerste twee) eindigt met een ontroerende finale.
Tot nu toe had Ducournau enkel vijf schedels gescoord bij Schokkend Nieuws. Het voelt niet fijn om daar verandering in te brengen, al is het dan met vier schedels. Hoewel TITANE erin slaagde de mogelijke frustraties met de plot te overstijgen, is ALPHA er totaal niet in geïnteresseerd het de kijker makkelijk te maken. De film springt heen en weer tussen twee tijdlijnen en laat uitleg achterwege.
De bizarre marmerziekte resulteert weliswaar in enkele indrukwekkende beelden, maar voelt als aidsmetafoor overbodig. Het idee was, vertelde Ducournau in interviews, om de slachtoffers iets heiligs mee te geven; dat in de dood hun lichaam verandert in een monument voor hun leven. Goed bedoeld, maar met een fantasieconcept als dit loop je het risico om gruwelijkheden uit de realiteit te trivialiseren. Bovendien botst de melodramatische visuele taal van de versteende lichamen met de nihilistische toon van de film. ALPHA is grijs, in elke zin van het woord. Kleur bestaat alleen in flashbacks en wanneer er bloed vloeit, en zelfs binnen de intieme gezinscontext hangt er een apocalyptische sfeer.
Vermoedelijk zullen fans die hoopten op intense horror zich ergeren aan het feit dat Ducournau te weinig doet met de meer uitzinnige aspecten van het plot, terwijl de film veel te bizar zal zijn voor het Europese arthousepubliek. Waar ALPHA uiteindelijk wel slaagt is juist datgene wat Ducournau’s films zo bijzonder maakt, die connectie tussen het lichaam en het hart. Ondanks het geweld dat onze lichamen moeten ondergaan, ondanks de dood die op ons allemaal wacht, vindt Ducournau keer op keer verlossing in onvoorwaardelijke liefde. Het besef dat er zonder empathie geen horror kan zijn, zonder liefde geen pijn en zonder pijn geen liefde, maakt haar een van de meest fascinerende hedendaagse filmmakers.