Luc Bessons DRACULA is niet de slechtste Draculafilm ooit gemaakt: hij is beter dan Dario Argento’s beschamende DRACULA 3D. Maar hij is minder goed dan Patrick Lussiers DRACULA 2000 en diens twee straight-to-dvd-vervolgen. Op de ranglijst van films over de bloedzuigende graaf staat deze nieuwste versie op ongeveer gelijke hoogte als Jess Franco’s slaapverwekkende NACHTS, WENN DRACULA ERWACHT (1970) en Universals haastig in elkaar geflanste uitmelkfilm HOUSE OF DRACULA (1945).
In een verbazingwekkend interview met Deadline in 2024 vertelde Besson wat zijn versie van het verhaal zou toevoegen: ‘Het is een romantische aanpak. Bram Stokers boek heeft een romantische kant waar nog niet heel veel mee gedaan is. Het is een liefdesverhaal over een man die vierhonderd jaar wacht op de reïncarnatie van zijn geliefde.’
Dat boek heeft Besson dus niet gelezen. Het idee dat Dracula de reïncarnatie van zijn verloren liefde ontmoet, werd geïntroduceerd in Dan Curtis’ verfilming (1974) en daarna meermaals herhaald, om definitief in de popcultuur verankerd te worden met Francis Ford Coppola’s versie (1992).
Laatstgenoemde film lijkt Bessons voornaamste, zo niet enige bron te zijn voor zijn eigen bewerking. Dat hoeft natuurlijk geen probleem te zijn: Coppola’s ultieme gothic vampierfilm is een persoonlijke favoriet. Maar wanneer Besson schaamteloos plotpunten en scènes uit die versie overneemt (blijkbaar in de veronderstelling verkerend dat die ook in het boek zaten) valt het wel op dat hij bepaald geen Coppola is.
De incorrecte aanname dat Bram Stoker zijn graaf baseerde op de werkelijk bestaande, Roemeense prins Vlad Dracula bestond al langer, maar werd door Coppola’s film pas echt populair. In Bessons versie beginnen we ook bij deze prins in vijftiende-eeuws Roemenië, hoewel hij hier gek genoeg niet Vlad III, maar Vlad II is: zelfs de misvatting doet Besson verkeerd! Hoe dan ook, prins Dracula (Caleb Landry Jones) heeft een gelukkig leven met zijn geliefde Elisabeta (Zoë Bleu), tot hij haar op tragische (en onbedoeld hilarische) wijze verliest tijdens een veldslag. Woedend vervloekt hij God en zodoende wordt hij gestraft met vampirisme.
Vierhonderd jaar later, gedegradeerd tot graaf, treft Dracula de reïncarnatie van Elisabeta in Mina (ook Zoë Bleu). Hier gaat Besson wel zijn eigen weg: het verhaal is in Parijs gesitueerd, romanfiguren Lucy en Renfield zijn samengevoegd tot Maria (Matilda De Angelis) en de Van Helsing van dienst is een naamloze priester (Christoph Waltz). Dan is er ook nog iets met een magisch parfum waarmee de vampier alle vrouwen kan verleiden. Met Dracula heeft het allemaal niets te maken, maar dat is het punt niet. Wijk zoveel af van de bron als je wilt als het een vermakelijke film oplevert. Dat doet het in dit geval niet.
Eng is DRACULA geen moment, en ook het ouderwetse horrorplezier van bijvoorbeeld de Hammerversies blijft grotendeels afwezig. Besson zei dan ook een liefdesverhaal te willen maken – maar op dat vlak faalt zijn DRACULA nog erger. In een romance moet je op zijn minst geloven dat er werkelijk sprake is van liefde tussen twee personages. We krijgen echter geen enkele reden om te denken dat Mina voor de gluiperige graaf zou vallen. Caleb Landry Jones doet weinig meer dan een potsierlijke imitatie van Gary Oldman, maar dan gespeend van de charme die laatstgenoemde meebracht.
Er viel te hopen dat Besson (LÉON, THE FIFTH ELEMENT, LUCY, VALERIAN AND THE CITY OF A THOUSAND PLANETS) op z’n minst stilistisch uit zou pakken. Helaas: DRACULA zit vol inspiratieloze, ronduit slordig gekadreerde shots. Mikkend op kleurrijk spektakel proppen Besson en cameraman Colin Wandersman de beelden zo vol details die allemaal zo hard om aandacht schreeuwen, dat het resultaat een smakeloze brei is. De weinige potentieel sterke composities worden verpest door overbelichting. Gênant zijn de goedkoop ogende vechtscènes en de met lelijke CGI uitgevoerde gothic-clichés, met als dieptepunt de levende waterspuwers in Dracula’s kasteel.
Levende waterspuwers? Dat klinkt leuk. Verwacht echter niet veel van dat soort vrolijke nonsens; Besson zoekt slechts bij vlagen de camp op, en als hij het doet is het vooral pijnlijk. Matilda De Angelis en de immer betrouwbare Christoph Waltz doen hun best, maar zij kunnen niet verhelpen dat Besson de ergste doodzonde begaat door gewoon een levenloze film te maken.