Rechtse ideologieën zijn gebaseerd op irrationele angsten en onderbuikgevoelens, links verzet verliest zich in de etiquette rond identiteitspolitiek. Daarom wint rechts, en zal ook de kleine rechtse man machteloos toekijken hoe zijn gekoesterde gemeenschap wordt overgenomen door grote techbedrijven. Dat is zo’n beetje de boodschap van EDDINGTON. Niks nieuws, dus, en Ari Asters satire is niet scherp en vernieuwend genoeg om te rechtvaardigen dat hij er bijna tweeënhalfuur over doet om bovenstaande over te brengen.
Tijdens de covid-lockdown in 2020 besluit sheriff Joe Cross (Joaquin Phoenix) zich verkiesbaar te stellen als burgemeester van het slaapstadje Eddington in New Mexico. Hij vindt de covidmaatregelen van de progressieve burgemeester Ted Garcia (Pedro Pascal) veel te ver gaan. Niet dat hij een totale wappie is; in elk geval niet vergeleken bij zijn schoonmoeder (Deirdre O’Connell), die bij hem verblijft en niets anders doet dan online complottheorieën lezen. Ook Joe’s vrouw (Emma Stone) lijkt die kant op te glijden, en raakt gecharmeerd door de sekteleider Vernon Jefferson Peak (Austin Butler).
Ondertussen krijgt ook Eddington te maken met de Black Lives Matter-protesten, hier met name opgezet door witte tieners. Allemaal onzin, vindt Joe, die zichzelf ziet als de laatste persoon met gezond verstand in een krankzinnige wereld. Maar zelf draait hij ook door, met gruwelijke gevolgen.
Bij een film van Ari Aster kunnen we er in elk geval op vertrouwen dat we een knap staaltje beeldregie gaan zien. EDDINGTON is stilistisch zijn meest volwassen film tot nu toe: zijn keurig uitgekiende kaders voelen hier spontaner dan in HEREDITARY en MIDSOMMAR en zijn virtuoze long takes zijn geen moment protserig. Als scenarist is Aster wisselvalliger. Inhoudelijk is hij altijd minder vernieuwend geweest dan hij lijkt te denken, en als hij een punt te maken heeft benadrukt hij dat meestal net iets te veel. EDDINGTON heeft naast die gebruikelijke zwaktes ook nog een tweede akte zonder momentum.
Aster hoopt te amuseren met satire over de wereld die gedurende de lockdown is ontstaan, maar al zijn grappen kennen we al. Een vergezochte complottheorie waar Tom Hanks met de haren bijgesleept wordt; een witte antiracistische demonstrant die een zwarte politieagent vertelt dat hij aan hún kant zou moeten staan; een witte tiener die in een toespraak stelt dat het zijn taak is om stil te zijn en te luisteren, wat hij zal doen zodra hij klaar is met zijn toespraak; deze komische situaties waren vóór de pandemie al clichés.
Joaquin Phoenix blijft echter fascineren. Niemand is beter dan hij in overtuigend gespeelde spontaniteit; Asters strak geschreven dialogen klinken uit zijn mond alsof hij improviseert. Ondanks de afgezaagde inhoud weet Phoenix meermaals een lach te ontlokken, zonder een spoortje leukdoenerij.
Misschien dat EDDINGTON beter werkt over een jaar of tien, als het gesprek waar de film deel van uitmaakt dan ten minste minder dominant aanwezig is in onze cultuur (we mogen hopen). Wat in elk geval niet helpt is de vergelijking met het momenteel ook draaiende ONE BATTLE AFTER ANOTHER, waarin Paul Thomas Anderson veel van dezelfde thema’s op intelligenter én spannender wijze benadert.
EDDINGTON doet denken aan JOKER: ook een stilistisch gelikte, inhoudelijk platte film over controversiële thema’s, met Joaquin Phoenix in een hoofdrol die het clichématige materiaal overstijgt. JOKER werd een hit, deels omdat de film in de markt werd gezet als onderdeel van het Batmanuniversum, waar het verhaal in feite niets mee te maken had. Waren ze bij A24 nu maar slim genoeg geweest om EDDINGTON uit te brengen onder de titel THE RIDDLER.