Regisseur Zach Cregger en zijn muze Austin Abrams scheiden het kaf van het koren met een vlotte, gemene en dolkomische adaptatie van de Resident Evil games.
Het lijkt wel of we al sinds de jaren 90 aan het klagen zijn dat er geen goede videogame films worden gemaakt. Er zijn wel degelijk goede kandidaten voor cult classics zoals SUPER MARIO BROS. (1993) of MORTAL KOMBAT (1995), en je hebt er een paar die kunnen worden geclassificeerd onder “wel aardig”, zoals SONIC THE HEDGEHOG 3 (2024) of IRON LUNG (2026). Maar een definitieve, écht goede videogame film liet maar op zich wachten. Daarom doet het mij ook deugd om te mogen vermelden dat Zach Creggers RESIDENT EVIL die titel waardig is.
De Resident Evil franchise begon in 1996, en heeft inmiddels negen spellen op zijn naam staan en maar liefst 22 remakes, spin-offs en speciale titels. Je bent dom bezig als je met zo’n succes bij maar één medium blijft hangen, en dus verschenen er ook aardig wat films. Regisseur Paul W. S. Anderson (EVENT HORIZON) en actrice Milla Jovovich (THE FIFTH ELEMENT) hebben er samen maar liefst zes gemaakt, waar aanhangers van vulgar auteur theory soms een lans voor willen breken. Het hyperstylistische werk van Anderson is zeker het kijken waard, al is het de vraag of de traditionele betekenis van het woord “goed” hier van toepassing is. Johannes Roberts’ reboot RESIDENT EVIL: WELCOME TO RACCOON CITY (2021) werd hier en daar redelijk ontvangen, maar inmiddels lijkt die film van de aardbodem te zijn verdwenen. Cregger weet zich op een heel eenvoudige manier te onderscheiden van de dubieuze adaptaties die hem voorgingen: hij negeert het verhaal en de melodramatische toon van de games gewoon.
Iconische personages zoals Jill Valentine, Leon Kennedy of Ada Wong zijn in geen velden of wegen te bekennen. In plaats van getrainde politieagenten en spionnen moeten we het doen met Bryan (Austin Abrams), een twintiger die werkt als koerier van medische pakketjes. Bryan heeft net zijn laatste orgaan van de dag afgeleverd als hij nog één laatste bezorging krijgt aangeboden, een koeltas die zo snel mogelijk naar Raccoon City moet. Het is niet dat hij staat te springen om een nachtelijke rit door een sneeuwstorm met zijn Subaru zonder sneeuwkettingen, maar thuis zit zijn zwangere vriendin op hem te wachten om het te hebben over zijn toekomstige vaderschap. Bovendien betalen ze dubbel!
Met hetzelfde escalerende tempo van de gebroeders Safdie leidt Cregger zijn twijfelachtige en alles-behalve heroïsche hoofdpersoon van de regen in de drup. Dankzij het slechte zicht op de weg rijdt Bryan een verdwaasde vrouw omver, die het ongeluk wonder boven wonder overleefd. Terwijl hij haar naar het ziekenhuis probeert te brengen, gedraagt ze zich wel erg vreemd. Fans van de videogames weten natuurlijk al wat er aan de hand is zodra ze de naam Raccoon City hebben gehoord, en Cregger rekt de opbouw gelukkig niet te lang uit. Nog geen twintig minuten later is de arme Bryan al panisch op de vlucht voor gemuteerde zombies.
Net als The Dude die per ongeluk een noir binnenliep in THE BIG LEBOWSKI (1998), heeft Bryan niets te zoeken in een Resident Evil game. Hij vindt geregeld pistolen maar heeft geen idee hoe hij die moet laden, laat staan op een doeltreffende manier af te vuren. Naast de gruwelijke monsters die hij moet ontwijken stuit Bryan vaak op heel alledaagse hindernissen, zoals schrikdraad waar hij overheen moet springen of een trappenhuis van 24 verdiepingen. Keer op keer is zijn grootste obstakel het nederige hangslot, dat je blijkbaar niet even snel kapot kan schieten met een kogel. Weer wat geleerd. Ook is Bryan net zo vaak zijn eigen vijand als de zombies, elk relatief slim plan dat hij bedenkt valt meteen op een Wile E. Coyote-achtige manier in het water.
Cregger had zijn achtergrond in komedie al duidelijk laten doorschijnen in zijn vorige films BARBARIAN (2022) en WEAPONS (2025), en RESIDENT EVIL is nog grappiger dan zijn voorgangers. De scares en de grappen worden op dezelfde manier ingezet, vaak weet je al wat er gaat komen, en het is puur een kwestie van de perfecte timing. Alle lof voor Austin Abrams, die ook zo goed was als de junkie in WEAPONS. Hij maakt fout na fout en toch werkt hij nooit op de zenuwen. Zijn optreden doet denken aan Bruce Campbell in EVIL DEAD II (1987), hij heeft dezelfde bijna schattige argeloosheid tegenover een afgrijselijke situatie.
Naarmate Bryan dichterbij zijn bestemming komt en andere personages ontmoet wordt de toon ietwat te luchtig en verliest RESIDENT EVIL de urgentie en stress van de eerste akte. Gelukkig is het niet alleen grappen en grollen met mutanten. Cregger had ouderschap al eerder aangekaart in zijn werk, en hier ligt het onderwerp nog meer op de voorgrond. De enige reden dat Bryan zich überhaupt in de chaos van Raccoon City bevindt is omdat hij een moeilijk gesprek over verantwoordelijkheid en volwassen worden niet aankon. De film gebruikt iconografie uit de Resident Evil games om de toekomstige vader met dit feit te confronteren, maar ook met zelfverzonnen monsters. Een scène tegen het einde van de film maakt op de meest ranzige manier de thematiek wel heel letterlijk.
Wat de film ook zo’n lekkere kijkervaring maakt is hoe snel het is afgelopen. Cregger bespaart ons twee uur aan saaie achtergrondinformatie en verwijzingen voor de fans. RESIDENT EVIL is een ouderwetse horrorkomedie met een sterk hoofdpersoon en heerlijk vieze creativiteit, en duurt nog geen 90 minuten. Geen scène na de aftiteling, geen noodzaak voor een vervolg. Van mij mag Cregger zeker terugkomen voor een sequel, maar als hij iets compleet anders wil doen ga ik hem dat absoluut niet kwalijk nemen. Zolang hij en Austin Abrams samen gitzwarte komedies blijven maken, mogen we meer dan tevreden zijn.