Nieuws
9 januari 2005

Boeddha zij dank

‘Het leger nadert, het is geen tijd voor de liefde’, luidt de sleutelzin van HOUSE OF FLYING DAGGERS, het nieuwe wuxia pian-opus van de Chinese regisseur Zhang Yimou. Ving ooit eerder een zinnetje beter het wezen van het heroïsche zwaardvechtersgenre? En had zelfs de meest optimistische koffiedikkijker kunnen voorspellen dat arthouselieveling Zhang Yimou (JU DOU, QUI JI, RAISE THE RED LANTERN) op middelbare leeftijd zijn nieuwe roeping als maker van traditionele martial arts-epics zou volgen? Voorwaar, het zijn wonderlijke tijden, waaraan uiteraard de successen in het Westen van Ang Lee’s CROUCHING TIGER, HIDDEN DRAGON en Zhangs eigen HERO zijn voorafgegaan.

HOUSE OF FLYING DAGGERS is niets anders dan een bezinning op de klassieke genrewaarden die meester King Hu (1931-1997) in de late jaren zestig en de jaren zeventig voor onder meer Shaw Brothers op celluloid neerlegde. De plot over de wetshandhavers Leo (Andy Lau Tak-Wah) en Jin (Takeshi Kaneshiro) die in het jaar 859, de nadagen van de Tang-dynastie, een vileine valstrik zetten om het anti-keizerlijke militantengenootschap ‘Huis van de Vliegende Dolken’ te ontmantelen, past eigenlijk in één alinea. Dankzij de regie, de spelers en het cruciale verhaalelement van de bedrogen liefde haalt deze iets andere achtervolgingsfilm echter een aanzienlijk dramatisch dividend uit het oeroude thema ‘nobele-underdog-versus-kwaadaardig-regime’.

De oorspronkelijke Chinese titel SHI MIAN MAI FU luidt vrij vertaald ‘In tien hinderlagen tegelijk’ en wanneer je weet dat de beeldschone blinde revolutionaire Mei (Zhang Ziyi) het aas is waarmee de twee keizerlijke gardisten en kameraden Leo en Jin hun grote vis denken binnen te halen, dan kun je je de verwikkelingen, dubbele agenda’s en de van opofferingstragedie en vergeldingsbloed doordrenkte finale helemaal voorstellen. Gedreven en stijlvast grijpt Zhang respectvol terug op de oorsprong van de wuxia pian en dus op de sfeer van King Hu’s COME DRINK WITH ME (1966), A TOUCH OF ZEN (1969) en RAINING IN THE MOUNTAIN/LEGEND OF THE MOUNTAIN (allebei 1979). Er wordt weliswaar stevig aan de kabels getrokken, maar niet de schoolmakende Filmworkshop-spookhuisbelichting en HK-New Wave-achtige studiogekkigheid zijn hier de stijlmiddelen. Cameraman Zhao Xiaoding maakt brede penseelstroken in warme herfstkleuren, vindt in zijn zoeker een natuurlijke landschapsgrandeur, die overigens van Russische origine is: exterieurs werden in de Oekraïne opgenomen, op de wende van herfst en winter. En Boeddha zij dank dat Zhang de enige echte Ching Siu-Tung (Tsui Harks rechterhand bij de A CHINESE GHOST STORY-trilogie) losliet op de gevechtsscènes: onder supervisie van de legendarische choreograaf/actieregisseur knallen ze van ’t scherm met een virtuoze exactheid en inventieve agressie die we feitelijk sinds de SWORDSMAN-trilogie nog hoogst zelden mochten aanschouwen.

Uit: In de sneeuw, stervend, een recensie van house of flying daggers, door Oliver Kerkdijk. De volledige tekst is te lezen in SN #65, momenteel in de kiosk of te bestellen via deze website.

Fan van horror, sci-fi en cult?

Neem een abonnement!

Ons magazine bevat nóg meer en staat vol interviews, recensies en achtergronden.
Voor slechts 35 euro valt-ie 6x per jaar op je mat!
Liever digitaal ontvangen? Dat kan ook!