sVANKMAJER
sVANKMAJER
Voorpret
9 januari 2019

De vleselijke liefde van Jan Svankmajer

sVANKMAJER VOORPRET | Nog tot 3 maart loopt in EYE Amsterdam The Alchemical Wedding, de grootse tentoonstelling over leven en werk van Jan Svankmajer. Een goede reden om enkele van zijn langspeelfilms te herbekijken. Schokkend Nieuws neemt alvast de touwtjes in handen.

Zijn neus is onmiskenbaar een peer; twee snijbonen vormen de wenkbrauwen en in het haar krullen weelderig de druiven. Dat moet het beroemde portret van keizer Rudolf II zijn – wie van surrealistische kunst houdt, kent zijn klassiekers, en dus zeker ook deze. De kunstenaar die Rudolf II de proporties van de God Vertumnus aanmat, was de Italiaanse Renaissancist Giuseppe Arcimboldo die zijn timmer- en schilderwerk aan de Milanese dom moest afbreken om in Praag hofschilder te worden.

Arcimboldo was een maniërist: weelderig, artificieel, gekunsteld. Maar Arcimboldo was ook surrealist: bevlogen, bevrijd, fantast. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Tsjechische kunstenaar Jan Svankmajer een groot bewonderaar is van zijn Praagse stadsgenoot, zoals Jan Steverlynck in Urbanmag (2001) schrijft, een van de weinige Nederlandstalige publicaties over Svankmajers werk. Zijn hele oeuvre – collages, poppen, afbeeldingen, animatie, films – maakte hij alla maniera di Arcimboldo. Diens credo was dat zelfs banale levenloze objecten een ziel kunnen worden ingeblazen. Bij Svankmajer werd het ingezet als een scherpe aanklacht tegen een maatschappij die dat niet toeliet.

Svankmajer droeg het grootste deel van zijn leven het communistisch juk op de schouders. Maar hij gebruikte zijn harnas om zichzelf te bevrijden; zijn ketenen smeedde hij bijna letterlijk tot kunst. Met zijn ambachtelijke achtergrond als poppenmaker werden zijn  hoofdpersonages vaak letterlijk puppets on a string. Hogere machten trekken aan de touwtjes, zo leek zijn boodschap te zijn. De mens danst, maar hij bepaalt niet het ritme of de pasjes.

Svankmajers vaak absurde maar tegelijk ook haarscherpe knutselwerkjes botsten voortdurend met de strenge censuur. In totalitaire regimes zijn surrealisten die niets anders dan de verbeelding aan de macht willen, immers niet erg geliefd. De communistische regering sloot zijn rariteitenkabinet van 1973 tot 1980. Svankmajers kleine daad van verzet voltrok zich tien jaar na zijn rehabilitatie met zijn korte film THE DEATH OF STALINISM IN BOHEMIA / KONEC STALINISMU V CECHÁCH die hij voor de BBC draaide. Daarin legt hij Stalin op de operatietafel om de geschiedenis van zijn land met chirurgische precisie te ontleden.


MEFISTOFELES
Het thema van het weerloze individu tegen het ongrijpbaar groter geheel dook ook al op in het oeuvre van nog een stadsgenoot van Svankmajer: Franz Kafka. Diens geniale geest zweeft voortdurend over Svankmajers tweede langspeelfilm FAUST uit 1994. Zowel in Kafka’s als in Svankmajers wereld wordt het verhaal zelden door de personages voortgestuwd. Een onzichtbare hand drukt op de knopjes en trekt aan de touwtjes.

De openingsscène – waarin een man (Petr Cepek, inmiddels gestorven aan kanker) via een vreemd plannetje naar een theater geleid wordt – doet denken aan het haast surreële begin van Kafka’s Die Verwandlung waarin Gregor Samsa op een ochtend uit onrustige dromen ontwaakt en ontdekt dat hij in monsterachtig ongedierte is veranderd. In het theater waar de man verzeild geraakt, voeren een reeks levensgrote poppen Goethes meesterwerk Faust op. Hij raakt letterlijk in de touwen verstrikt, trekt Fausts baard, pruik en kleren aan en transformeert – in een naar zwarte magie verwijzende scène in de kelders van het theater – tot de fictieve figuur die zijn ziel middels een met bloed gekrabbelde handtekening aan de duivel verkoopt. In een indrukwekkende passage laat Svankmajer zijn Faustiaanse held kibbelen met een uit klei opgetrokken Mefistofeles die suggereert dat de echte hel misschien wel het leven op aarde zelf is. Het zijn die welgemikte mokerslagen die de film onvergetelijk maken. De Dali-achtige verstrengeling van realiteit en fictie – Faust stapt vaak letterlijk in en uit een houten pak – is uniek. Voor het hoofdpersonage pakt het duivelse contract zoals bekend niet zo goed uit: zelfs de duivel kan die zwei Seelen in seiner Brust – wetenschap en kunst – niet met elkaar verenigen. In het grote geheel blijkt de mens maar een nietig radertje.


Maar Svankmajer zou zichzelf niet zijn als hij Goethes werk in de laatste akte niet zou verdraaien. De Tsjech is geen goedkope imitator. Hij kneedt en boetseert zijn inspiratiebronnen als waren het manipuleerbare kleipoppen. In dat licht moeten ook zijn bewerkingen gezien worden van Horace Walpole’s Castle of Otranto (de eerste gothic novel) en Edgar Allan Poe’s The Pit and the Pendulum en The Fall of the House of Usher. FAUST wordt in het algemeen niet als Svankmajers sterkste film beschouwd – de verhaallijn is soms te verwarrend en de film duurt te lang -, maar betekent wel een terugkeer naar diens fascinatie voor het in Tsjechoslowakije immer populaire poppenspel (zie ook al zijn poppenkastachtige kortfilm PUNCH AND JUDY / RAKVICKARNA uit 1966).

LUSTBELEVING
Het subversieve hoogtepunt in Svankmajers oeuvre is CONSPIRATORS OF PLEASURE / SPIKLENCI SLATI uit 1996. Svankmajer droeg die film op aan markies de Sade, Luis Bunuel en Sigmund Freud. Het resultaat is een droevig, bizar meesterwerk vol surrealistische alchemie en seksuele obsessie. De film is in vele opzichten een apotheose van Svankmajers verschillende fascinaties. Hij plaatst zijn protagonisten in kleine, afgeleefde flatjes; aftandse auto’s en grijze, zielloze straten. De personages die in dit treurig Praag rondlopen zijn lelijke, ongeschoren, kettingrokende mannen of opgeblazen dikke dames met katten die het laatste vlekje bloed van het maandverband likken. Het zijn dieptrieste, asociale eenzaten die vastgeroest zitten in een emotieloos, repetitief bestaan. Als houten marionetten in een poppenspel zijn ze nauwelijks tot communicatie in staat. Ze beleven hun diepste, fetisjistische fantasieën in de beslotenheid van kleine, afgesloten en veilige ruimtes.

Svankmajer volgt in zijn dialoogloze film zes individuen. Hun verhaal vormt een ingenieuze puzzel – in Altmaniaanse traditie ontmoeten ze elkaar af en toe – maar echte interactie hebben ze niet; hoogstens bekijken ze elkaar tijdens een lange stilte. Die onmondigheid vormt een rode draad in Svankmajers universum. Het is misschien niet toevallig dat er in zijn films zo weinig gesproken wordt: de taal is ontoereikend. Zoals de Engelse dichter Wordsworth het uitdrukte: the sad incompetence of human speech. Veel liever dan enthousiast te praten, werken de personages uit CONSPIRATORS OF PLEASURE in stilte aan hun ultieme lustbeleving. De seksspelletjes waar ze zich op een dode zondag mee bezig houden, tarten elke verbeelding. Een man knipt, plakt en knutselt verwoed aan een groot kippenmasker dat hij vervolgens op zijn hoofd zet. Iemand anders bouwt een soort massagetoestel dat hij op zijn televisie kan aansluiten wanneer zijn favoriete nieuwslezeres erop verschijnt. Die laat in het geniep graag aan haar tenen sabbelen door karpers. Haar man is in de weer met borstelstokken en deegrollen waarop hij veren, pels, watten en spijkers bevestigt. Vreemd? Vreemd is pas het verhaal van de postbode die broodballetjes rolt of de corpulente dame die denkt dat ze een SM-meesteres is die een pop uit stro eerst tot bloedens toe geselt en daarna verdrinkt.


De film is grappig en droevig tegelijk. In een aandoenlijke scène zien we hoe een man en een vrouw naast elkaar in bed liggen. Ze spreken geen woord en zijn in hun allang uitgedoofd huwelijk niet in staat elkaar nog langer te bevredigen. De man stapt uiteindelijk het bed uit en gaat naar zijn werkhok waar hij zijn fetisjspellen bewaart, terwijl de vrouw ondertussen haar wel erg levendige speeltjes vanonder de kast trekt. De ultieme bevrediging is er een van mens en object, niet van mens en mens.

In CONSPIRATORS OF PLEASURE ontpoppen eenzame mensen zich tot God – ze scheppen en doden. Het verhaal van het kippenmasker uit papier-maché is wat dat betreft het best uitgewerkt. De schuchtere man ontvouwt zich tot een groteske geweldenaar die in zijn bizarre kippenpak een op zijn buurvrouw lijkende vrouwenpop verminkt. De roes van het moment doet de man boven zichzelf uitstijgen. Hij vliegt op een bepaald moment écht – tot het masker letterlijk en figuurlijk van zijn gezicht glijdt en hij hard op de grond neervalt. Wanneer de adrenaline is uitgewerkt is, wacht de ontnuchtering. De zwartgallige, trieste vertelling wordt gelukkig voortdurend levendig gehouden door de schier oneindige verbeeldingskracht van Svankmajer. Zijn poppenkraam is tot aan de nok gevuld met de meest macabere, inventiefste en tegelijk grappigste vondsten of bedenksels.

HONGERIG MORMEL
Svankmajer is dol op Tsjechische sprookjes en volksverhalen, en die staan mijlenver af van de fonkelende, glanzende Disney-retoriek. In LITTLE OTIK / OTESÁNEK uit 2000 speelt een kinderloos echtpaar de hoofdrol. De man ontdekt tijdens het omhakken van een boom dat de wortels wel erg op de contouren van een baby lijken. Hij geeft de stronk aan zijn vrouw, maar het kind blijkt een hongerig mormel dat dood en verderf zaait. Weinig kans dat ‘het huis van de muis’ daar nog eens een tekenfilm van maakt.

OTESÁNEK is een ruwe, bonkige film met redelijk wat dialoog. Veel gepraat is atypisch voor Svankmajer die zijn films meestal zelfs niet van een soundtrack voorziet. Hoogstens onderstreept een klein muzikaal fragment wat de beelden moeten uitdrukken. De geluidsband is bij Svankmajer in het algemeen hyperrealistisch en expressionistisch. Svankmajer vergroot de geluiden uit – net zoals hij vaak zijn camera als een vergrootglas gebruikt om details te besnuffelen – zodat ze een perfecte eenheid vormen met de kinetische, Eisensteiniaanse montage.


OTESÁNEK bewijst dat Svankmajer niet de man van de grote middelen of bekende acteurs is. Die kiest hij niet voor hun acteertalent – en dat is helaas ook af en toe te zien – maar wel voor hun haast cartoonesk, capricieus uiterlijk. Hij installeert ze in een decor zoals hij dat ook met zijn poppen doet. Hun plaats in de setting dient het verhaal.

VIESPEUK
Veel van Svankmajers thema’s zaten al in zijn langspeeldebuut ALICE / NECO Z ALENKY uit 1988. Zo toont de regisseur de vage grens tussen mens, pop en voorwerp. In ALICE zit het titelpersonage niet letterlijk vast aan touwtjes, maar de vrijheid is ver weg. Aan het begin van de film zit ze samen met haar oudere zus aan de oevers van een rivier. Terwijl grote zus een boek leest, gooit Alice steentjes in het water om de verveling te verdrijven. De enige vrijheid die ze heeft is haar eigen verbeelding.

Op dezelfde manier begint ook de originele Alice’s Adventures in Wonderland, het kinderboek dat wiskundige Lewis Carroll in 1865 schreef voor de toen tienjarige Alice Liddell, een van de dochters van classicus Henry George Liddell. Literatuurhistorici hebben sindsdien hun tanden stuk gebeten op Carrolls fascinatie voor jonge meisjes. Die was zeker niet koosjer. Volgens sommigen was hij een regelrechte viespeuk. Hoe dan ook: zijn fantasieën leverden een boek op dat zou uitgroeien tot een regelrechte klassieker. De beroemdste Alice is het meisje met de lange, blonde lokken en diepblauwe ogen uit de Disney-tekenfilm van 1951. Svankmajer koos met actrice Kristýna Kohoutová een meisje dat de Disney-versie weerspiegelt. Maar elke andere vergelijking loopt mank. Dit broze poppetje belandt niet in een bonte suikerspinwereld, maar in een muffe nachtmerrie vol smerige kelders, rommelige bureaus en verminkte knuffels.


Voor vrolijkheid is in Svankmajers wereld geen plaats. Je kunt hem beter voor een cynische afscheidsrede op een begrafenis uitnodigen dan voor een leuke speech op een huwelijk. Toch kerft hij in ALICE minder diep dan in bijvoorbeeld CONSPIRATORS OF PLEASURE, waarin alle personages eenzaam, verveeld, uitgeleefd en afgebladderd zijn. Maar toch: van de tocht die Alice down the rabbit-hole maakt (al duikt ze in Svankmajers versie het nerveuze konijn achterna in de lade van een bureau) word je niet echt vrolijk. Je hoeft geen Freud of Jung te zijn om het dubbele van die tocht te begrijpen: naast de fysieke tocht is dit ook een afdaling in de menselijke psyche. Svankmajer zelf beschrijft zijn film als een duik naar de diepe krochten en trauma’s van zijn kindertijd. Dat thema behandelde de regisseur al eens in de korte film DOWN THE CELLAR / DO PIVNICE uit 1983, waarin een meisje in een donkere kelder moet afdalen om aardappelen te halen.

Svankmajer behield de meeste elementen uit het originele verhaal, waaronder uiteraard het panikerende konijn, de drank en koek, de tranenvijver, het spelletje croquet met de Hertogin, de speelkaarten en natuurlijk de knettergekke Hartenkoningin die, in een verwijzing naar Shakespeares Henry VI, steeds maar onthoofden wil. Het is een wereld waarin droom en realiteit voortdurend haasje-over spelen. Svankmajers verteltrant is associatief. Het ene transformeert in het andere, zonder dat daar een logische verklaring voor hoeft te zijn. Egels zijn speldenkussens en een blokkentoren heeft het interieur van een echt huis. Voor de volwassen kijker vergt zoveel onzin best wat inspanning. Svankmajer kijken is genieten, maar ook wel doorzetten.

Op het einde van de film wordt Alice wakker en ziet ze rondom zich alle poppen, dieren en objecten liggen die haar in haar razende droom achterna zaten. Svankmajer plaatst de kijker weer met beide voeten op de grond, geworteld in de veilige realiteit. Maar dat konijn, zo merkt Alice, is wel degelijk ontsnapt. Gevlucht uit de werkelijkheid waar ook Svankmajer zelf voortdurend aan wil ontglippen. En wij, als kijker, met hem.

Niet alleen als poppenspeler, maar ook als regisseur is Jan Svankmajer dus de baas van zijn eigen verbeelding. Gelukkig opent hij met zijn films de deuren van zijn imaginair theater. Soms snokt en sneert hij wild tegen alles wat verkeerd gaat in de wereld; af en toe tokkelt hij gevoelig aan de touwtjes die zijn personages op het podium laten dansen. Als toeschouwer kan je niet anders dan bewonderend toekijken. Het komt erop aan de bewegingen van de poppen goed te volgen. Hoe beter je kijkt, hoe onzichtbaarder de draden worden. De wereld is een schouwtoneel.

Dit is een bewerking van twee artikelen die eerder gepubliceerd werden in Schokkend Nieuws #75, najaar 2007 en #92, oktober/november 2011

Fan van horror, sci-fi en cult?

Neem een abonnement!

Ons magazine bevat nóg meer en staat vol interviews, recensies en achtergronden.
Voor slechts 35 euro valt-ie 6x per jaar op je mat!
Liever digitaal ontvangen? Dat kan ook!